Anouk Broersma

Wetenschapsjournalist en redacteur Schrijft vanuit Nijmegen o.a. over psychologie, brein en gezondheid. Contact? info@anoukbroersma.nl

Zijn hersenen ‘mannelijk’ en ‘vrouwelijk’?

Mannen en vrouwen lijken volgens sommigen wel compleet andere wezens. De radartjes in de bovenkamer draaien nou eenmaal verschillend. Of toch niet? Wie diep in het brein kijkt, vindt meer gelijkenissen dan verschillen.

Dit artikel verscheen eerder in maandblad KIJK, nummer 4 – 2019.

‘Mannen komen van Mars, vrouwen van Venus’. De uitspraak is inmiddels zo ingeburgerd dat je bijna zou vergeten dat het begon als de titel van een bestseller van John Gray uit de jaren negentig. Volgens de Amerikaanse relatietherapeut steken mannen en vrouwen zó verschillend in elkaar dat het lijkt alsof ze van andere planeten komen. Ze communiceren anders, hebben verschillende emotionele behoeftes en reageren verschillend op stress. Een gestreste man trekt zich liever even terug, in zijn mancave bijvoorbeeld, een vrouw wil over het probleem praten. Daar moeten we in relaties volgens Gray mee leren omgaan, want die verschillen zitten nou eenmaal in ons brein ingebakken. Er was alleen één probleempje: Gray baseerde zich bij zijn theorie niet op wetenschappelijk onderzoek. En dat toont juist keer op keer aan dat er meer overlap dan verschil zit tussen de geslachten. Bestaat er überhaupt zoiets als het ‘mannenbrein’ en het ‘vrouwenbrein’?

Uitschieters naar boven

Mannen hebben letterlijk een groter brein. Het scheelt gemiddeld zo’n tien procent, zelfs als je corrigeert voor lichaamslengte. In de negentiende eeuw zagen geleerde heren daarin bewijs dat vrouwen minder intelligent waren. Inmiddels zijn wetenschappers het erover eens dat het formaat van de hersenen er niet toe doet. Net zoals het mannen niet in de weg zit dat ze gemiddeld een minder dikke hersenschors hebben, de buitenkant van het brein waarin veel informatie verwerkt en doorgestuurd wordt.

Het is ook niet zo dat iedere man een groot brein heeft. Je vindt pas een overtuigend verschil als je grote groepen met elkaar vergelijkt, zegt neurowetenschapper Jiska Peper van de Universiteit Leiden. In een studie onder 150 jongens en 150 meisjes tussen 8 en 25 jaar vonden zij en haar collega’s ook tien procent verschil in breinvolume. ‘Maar dat kwam doordat bij jongens meer uitschieters naar boven zaten, wat het gemiddelde omhoog haalde. Bij meisjes was de variatie minder groot.’ Een willekeurig meisje en een willekeurige jongen kunnen dus een even groot brein hebben.

Ook als je een MRI-scan van één man en één vrouw naast elkaar legt, kun je niet aanwijzen welke scan van wie is. Neem je een grote groep mensen, en zoom je in op specifieke hersengebieden, dan komen wel subtiele verschillen naar voren. Al zegt ook dat vaak niets. De amygdala, een structuur in het brein die vaak wordt gelinkt aan emoties als angst en woede, zou bijvoorbeeld groter zijn bij mannen. Maar als je corrigeert voor het verschil in totaal breinvolume blijft weinig van die vondst over, ontdekten onderzoekers uit Chicago toen ze begin 2017 verschillende studies naar de amygdala vergeleken.

 

Een mozaïek

Wat de Israëlische neurowetenschapper Daphna Joel betreft is het zo klaar als een klontje: hersenen hebben geen geslacht. In 2015 baarde ze internationaal opzien met een studie meer dan 1400 MRI-scans, waarin ze aantoonde dat er veel meer overlap tussen het mannen- en vrouwenbrein is dan verschil. Ze keek naar zaken als de dikte van de hersenschors, grijze stof, witte stof en verbindingen tussen breingebieden. Kenmerken die ‘typisch’ vrouwelijk waren, omdat ze bij vrouwen vaak voorkwamen, zag ze ook bij veel mannen. En andersom. Een brein dat aan een extreem uiteinde zit, en dus op bijna alle vlakken ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ was, bleek zeldzaam. Joel spreekt daarom liever van het brein als een ‘mozaïek’ van kenmerken. Sommige daarvan komen gemiddeld vaker voor bij mannen, andere vaker bij vrouwen en weer andere bij beiden evenveel.

Afgelopen jaar publiceerde ze met Duitse en Israëlische collega’s een nieuwe studie. Dit keer analyseerde ze in hoeverre computeralgoritmes de hersenen van 2176 mensen op ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ konden indelen. Het brein van een man werd bijna net zo vaak gelabeld als ‘normaal vrouwelijk brein’ als dat van een vrouw, en andersom. Veelvoorkomende breintypes kwamen bij mannen als vrouwen ongeveer even vaak voor. Alleen bij zeldzame types vond Joel duidelijke geslachtsverschillen.

Slimme kinderen

Het is ook nog maar de vraag in hoeverre breinverschillen tussen mensen, zoals een grotere amygdala of meer grijze stof, in de praktijk leidt tot verschillende gedrag. Psychologische studies vinden wel continu verschillen tussen mannen en vrouwen. Mannen zouden bijvoorbeeld beter zijn in ruimtelijk inzicht en motorische taken, vrouwen in taal, emoties herkennen en geheugentaken. Maar opnieuw gaat het over gemiddeldes. Het betekent niet dat mannen geen taalwonder kunnen zijn en vrouwen niet kunnen uitblinken in ruimtelijke taken.

Zelfs als het gaat om persoonlijkheidskenmerken als empathie en agressie lijken man en vrouw enorm op elkaar, ontdekten onderzoekers van de Universiteit van Rochesterin in 2013 toen ze allerlei studies op een hoop gooiden. Statistisch gezien waren er wel verschillen, maar de variatie binnen de twee groepen was telkens enorm. Net zoals de overlap tússen de groepen.

Onderzoek naar gedragsverschillen zegt vaak ook niets over de oorzaak van dat verschil. Zitten ‘mannelijke’ of ‘vrouwelijke’ eigenschappen in ons brein ingebakken, of hebben we die aangeleerd? Ons brein is flexibel, veel vaardigheden zijn te trainen. Misschien scoren mannen bijvoorbeeld vaker goed op ruimtelijk inzicht omdat ze als kind vaker computerspelletjes deden en met lego speelden. En deden ze dat omdat die voorkeur van nature in hen zit, of hebben ze geleerd dat dat typisch jongensspeelgoed is?

Kinderen pikken stereotypes al jong op, vaak zonder dat ouders en leraren zich daar bewust van zijn. Meisjes denken vanaf zes jaar bij ‘heel, heel slim’ bijvoorbeeld eerder aan jongens dan aan meisjes, terwijl vijfjarige meisjes dat nog niet doen, bleek in 2017 uit een studie van de Universiteit van Illinois. Ook waren zes- en zevenjarige meisjes minder geïnteresseerd in een spelletje voor ‘heel, heel slimme kinderen’ dan jongens. Ze kozen vaker voor het spelletje voor kinderen die ‘heel, heel hard proberen’. Volgens de onderzoekers sluit het aan bij een veelvoorkomend genderstereotype: succesvolle mannen worden neergezet als getalenteerd of briljant, succesvolle vrouwen als harde werkers.

Ook wiskunde is in de hoofden van velen nog steeds een ‘jongensvak’. Meisjes kunnen er minstens zulke hoge cijfers voor halen, maar zijn onzekerder over hun wiskundeknobbel dan jongens. Franse onderzoekers lieten 12-jarige scholieren in 2009 een ingewikkeld geometrisch figuur uit hun hoofd natekenen. Sommige kinderen hoorden dat het een geometrietest was, anderen dat het om tekenvaardigheden ging. Voor jongens maakte het ging verschil, maar meisjes presteerden beter als ze dachten dat het om tekenen draaide.


Risicogedrag

Maar hoe zit het dan met testosteron en oestrogeen? Die hormonen kunnen tijdens de puberteit flinke chaos in het brein veroorzaken. Al vergeten mensen nogal eens dat het plaatje hierin ook niet zwart-wit is. ‘Mannen hebben in mindere mate ook het vrouwelijke hormoon oestrogeen, bij vrouwen geldt hetzelfde voor testosteron’, vertelt Peper. De verhouding verschilt per persoon, en dat kan invloed hebben op gedrag. Zo lijkt er een link te zijn tussen testosteron en risicovol gedrag bij pubers. Iets wat volgens Peper overigens niet per se goed of slecht is. ‘Een beetje risicogedrag hoort erbij in de puberteit.’

Samen met collega’s liet Peper jongeren in een computerspelletje ballonnen opblazen, waarbij ze meer geld verdienden voor een grotere ballon. Maar knapte de ballon, dan gingen ze met lege handen naar huis. De grootste durfals waren zowel onder jongens als meisjes degenen met een hoger testosterongehalte, maar vreemd genoeg leidde het wel tot verschillende resultaten. Bij die jongens knapten meer ballonen, meisjes wonnen juist meer geld. En de onderzoekers ontdekten meer positieve effecten van testosteron bij meisjes. Peper: ‘Zij zijn vaak zelfverzekerder en hebben minder last van angsten of depressies.’

Ondertussen zingen ook allerlei mythes rond over de invloed van hormonen op gedrag. Als voorbeeld noemt Peper het verhaal dat jongetjes rond vier jaar een testosteronpiek krijgen, en daardoor drukker worden. ‘Dat hoor je op allerlei congressen, maar er is geen enkel wetenschappelijk bewijs voor. Er is een testosteronpiek net voor en na de geboorte, waarvan we de oorzaak nog niet goed weten, en daarna pas weer in de pubertijd.’ Maar die drukke kleuters dan? Daar zit een zelfversterkend vermogen in, denkt Peper. Ouders en leraren die verwachten dat jongetjes drukker zijn, zien vooral het gedrag dat hun aanname bevestigt. Daardoor behandelen ze die jongetjes misschien ook anders dan meisjes – ‘ach, jongetjes moeten kunnen rennen’ – wat op zijn beurt weer kan beïnvloeden hoe een jongen zich gedraagt.

Autisme
Het lijkt dus vooral levenservaring die ons brein ‘kneedt’, niet geslacht. Toch kunnen psychiaters in hun behandelkamer niet om geslachtsverschillen heen. Naar schatting hebben bijvoorbeeld vier keer zoveel mannen als vrouwen autisme, vrouwen hebben ondertussen vaker last van depressie. Duidt dat dan niet op fundamentele verschillen in het brein? Als dat zo is, hebben wetenschappers dat verschil nog niet gevonden, net zoals de genetische factoren nog lang niet ontrafeld zijn.

Autismeonderzoeker Amber Ruigrok (Universiteit van Cambridge) denkt dat breinverschillen tussen man en vrouw zeker een rol kunnen spelen bij het ontstaan van psychische aandoeningen. Maar dat zou dan slechts één van de puzzelstukjes zijn. En om dat puzzelstukje te vinden, moeten we eerst weten of we psychische aandoeningen wel goed meten. ‘Bij autisme bijvoorbeeld zijn bijna alle diagnostische instrumenten gebaseerd op mannen en jongens met die stoornis. Komt het dus echt vaker voor bij één groep, of moeten we gedrag dat we zien eigenlijk anders categoriseren?’ Of het nu door biologie of aangeleerd gedrag komt, autisme kan zich bij vrouwen anders uiten dan bij mannen. Misschien stellen dokters hen dus niet altijd de juiste vragen voor een goede diagnose.

Sowieso komen aandoeningen in allerlei soorten en maten voor. Ruigrok: ‘Er zijn steeds meer aanwijzingen dat er niet één soort depressie is, maar allerlei subgroepen met mogelijk verschillende chemische reacties in het brein.’ Hét prototype van een autistisch of depressief brein bestaat dus net zo min als het prototype ‘mannelijk brein’ of ‘vrouwelijk brein’. Vergeet Venus en Mars, man en vrouw komen gewoon beide van aarde.

Bronnen voor dit artikel waren o.a.:

Joel e.a: Analysis of human brain structure reveals that the brain “types” typical of males are also typical of females, and vice versa, Frontiers in human neuroscience, 2018
A. ten Broeke: Het idee M/V, Maven Publishing 2010
D. Marwha e.a. Meta-analysis reveals a lack of sexual dimorphism in human amygdala volume, NeuroImage, 2017
L. Bian e.a.: Gender stereotypes about intellectual ability emerge early and influence children’s interests, Science, 2017

 

Doneren

Dit artikel kon je gratis lezen via mijn website. Waardeer je het en wil je dat laten blijken? Je kunt mijn journalistieke werk steunen met een donatie.

Totaal: € -

Verder Bericht

Vorige Bericht

© 2020 Anouk Broersma

Thema door Anders Norén